Duyck & Cattrysse | Advocatenkantoor Ieper - Kortrijk - Aalter
+32 (0)57 20 70 40 info@duyckencattrysse.be
Kantoor Ieper Dehaernestraat 29 B-8900 IEPER
Kantoor Kortrijk Koning Leopold I-str. 27 B-8500 Kortrijk
Kantoor Aalter Lotenhullestraat 38 B-9881 Aalter

Nieuws

Home       Nieuws

Robin DUYCK
20 apr. 2020
handel, voorwaarden, vastgoed

COVID-19. MAAR DE AANNEMER WERKTE VOORT

Sinds de inwerkingtreding van de lockdown light op 23 maart 2020, zien aannemers zich mogelijk geconfronteerd met moeilijkheden bij de uitvoering van werken door de overheidsmaatregelen tegen de verspreiding van COVID-19.

Wij zetten de principes voor u op een rij.

In welke mate laat de overheid de uitvoering van werken toe?

In de zin van de coronamaatregelen behoren de meeste bouwondernemingen, of de werken die zij uitvoeren, tot de categorie van de zogenaamde “niet essentiële bedrijven”. Zij zijn verplicht om bij de uitvoering van werken de regel van social distancing te garanderen (afstand van minimum 1,5 meter tussen de personen). Indien dit onmogelijk kan gegarandeerd, is men verplicht te sluiten en geen werken uit te voeren.

Vermoedelijk zal de dakdekker het daar moeilijker mee hebben dan de tuinaannemer.

Er gelden twee uitzonderingen voor:

- dringende werkzaamheden en tussenkomsten - van bij aanvang van de lockdown op 23 maart 2020;

- “producenten, leveranciers, aannemers en onderaannemers van goederen, werken en diensten die essentieel zijn voor de uitvoering van de activiteit” van de bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten - met ingang van 3 april 2020.

In de uitzonderingsgevallen moet social distancing “in de mate van het mogelijke” nagestreefd worden. Indien onmogelijk, mag men die werken dus toch uitvoeren.

Op het ogenblik van de redactie van deze tekst geldt de volgende lijst van cruciale sectoren en essentiële diensten: Tekst: “Bijlage bij het ministerieel besluit van 3 april 2020”; Link: afzonderlijk bestand.

Kan de aannemer zich beroepen op overmacht?

Enkel indien het voor de aannemer absoluut onmogelijk wordt om de werken uit te voeren, kan hij zich beroepen op “overmacht” om de uitvoering ervan op te schorten zonder een schadevergoeding of vertragingsboetes verschuldigd te zijn. De aannemer verkrijgt dus een termijnverlenging.

Een onvoorzien duurdere of moeilijkere uitvoering biedt principieel geen uitweg. Dan is er geen sprake van overmacht, maar van onvoorziene uitvoeringsmoeilijkheden. De meest noodzakelijke bijkomende kosten van de aannemer kunnen mogelijk worden doorgerekend aan de opdrachtgever of bouwheer. Er kan worden geargumenteerd dat de aannemer op basis van de “matigende werking van de goede trouw” een termijnverlenging zou kunnen krijgen.

Bij grotere bouwprojecten, bevatten de contractuele bepalingen veelal een specifiek regime voor situaties van overmacht of onvoorziene uitvoeringsmoeilijkheden. In de context van de uitvoering van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, bieden de algemene uitvoeringsregels alleszins een aanknopingspunt (artikel 38/9 AUR).

Schadebeperkingsplicht

De aannemer mag echter niet vergeten dat hij schadebeperkend moet optreden. Hij dient alle noodzakelijke maatregelen te treffen om schade te vermijden of tot een minimum in te perken.

Zodoende moeten andere werken op dezelfde werf waarvan de uitvoering niet onmogelijk is geworden (waarbij men nog social distancing kan garanderen) wel worden uitgevoerd.

Wat als de aannemer zich onterecht op overmacht beroept?

Hij kan mogelijks gesanctioneerd worden doordat de opdrachtgever de overeenkomst eenzijdig, buitengerechtelijk ontbindt wegens een ernstige contractuele wanprestatie, m.n. een ongerechtvaardigde niet-uitvoering van de werken.

Op zijn beurt let de opdrachtgever in voorkomend geval maar beter op zijn woorden. Een onterechte buitengerechtelijke ontbinding kan immers zelf ook een [ernstige] contractuele fout uitmaken, en kan recht geven op schadevergoeding.

Bovendien kan de onoplettende opdrachtgever in het vaarwater van het recht op eenzijdige opzegging terecht komen (art. 1794 B.W.). In dat geval, heeft de aannemer recht op een opzeggingsvergoeding, bestaande uit de gemaakte kosten en een vergoeding voor winstderving (doorgaans een percentage van de aannemingssom).

Het onderscheid lijkt theoretisch, maar de toepassingen in de praktijk zijn legio.

Gouden raad: documenteer de gang van zaken!

Als u als aannemer de werken wenst te schorsen, meldt u dit best onmiddellijk aan uw opdrachtgever. Ook bij loutere uitvoeringsmoeilijkheden is het aangewezen dat daarvan meteen melding wordt gedaan met opgave van de concrete implicaties daarvan op de planning, uitvoering en kostprijs van de werken.

Als er een overleg plaatsvindt tussen bouwactoren wordt één en ander best schriftelijk bevestigd om twisten voor te zijn.

Besluitend heeft de aannemer, afhankelijk van de concrete omstandigheden, de mogelijkheid om de uitvoering van werken op te schorten, zonder schadevergoeding of vertragingsboetes. Daarbij is het aan te raden dat alle contacten tussen de verschillende actoren in zo groot mogelijke mate worden gedocumenteerd.

Een louter en ongefundeerd beroep op COVID-19 als situatie van overmacht om een termijnverlenging af te dwingen wordt immers niet getolereerd.

Aarzel niet om contact op te nemen met ons kantoor indien u vragen heeft omtrent dit onderwerp.

Julie PODEVYN
19 apr. 2020
handel, burgerlijk, voorwaarden

Feesten in tijden van Corona

De coronacrisis heeft het dagelijkse leven op zijn kop gezet. Zowel privépersonen als ondernemers zitten met de handen in het haar. Overvolle agenda’s blijken opeens akelig leeg te zijn en dit ten gevolge van de drastische overheidsmaatregelen opgelegd om social distancing optimaal te kunnen toepassen.

Het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 bepaalt onder andere dat de inrichtingen die tot de culturele, feestelijke, recreatieve, sportieve en horecasector behoren, worden gesloten met dien verstande dat hotels open mogen blijven indien ze hun restaurant sluiten.

Zowel privé- als publieke activiteiten van culturele, maatschappelijke, feestelijke, folkloristische, sportieve en recreatieve aard worden verboden. 

Wat betekenen deze maatregelen nu concreet voor uw communiefeest, lentefeest, trouwfeest, etc. dat de komende weken zou plaatsvinden?

Overmacht?

Wanneer bij een contract een partij zijn verplichting niet kan nakomen ten gevolge van een vreemde oorzaak (bv. ten gevolge van overmacht), kan hij van zijn aansprakelijkheid worden bevrijd.

Zo lang de coronamaatregelen gelden, kunnen de contractspartijen aldus deze maatregelen als ‘overmacht’ inroepen om hun verbintenis niet na te komen. De hierboven vermelde maatregelen verhinderen immers dat de feesten niet kunnen of mogen plaatsvinden, buiten de wil van de partijen om. Let op: COVID-19 op zich kan niet als overmacht ingeroepen worden.

Concreet betekent dit dat restauranthouders, verhuurders van feestzalen en andere personen in de horeca door de maatregelen hun contractuele verplichting niet kunnen nakomen: zij mogen immers hun etablissement niet meer openhouden of verhuren om een feest te laten doorgaan.

De feestvierders langs hun kant kunnen vanwege deze maatregelen ook hun contractuele verplichting niet nakomen: zij mogen geen feestelijke activiteit organiseren.

Langs beide kanten komt men dus in een patstelling terecht.

Dit betekent evenwel niet dat het feest niet meer kan doorgaan: wanneer de mogelijkheid bestaat om het feest naar een latere datum uit te stellen, zal de overeenkomst tijdelijk opgeschort worden en uitgevoerd worden op die latere datum.

Wanneer uitstel niet mogelijk is, wordt het contract beëindigd. Bij overmacht is de regel dat bij de stopzetting van het contract er geen schadevergoeding dient betaald te worden.

Wat met de betaalde voorschotten?

Wat met eventueel betaalde voorschotten? Dienen deze terugbetaald te worden?

Wanneer het feest nog niet heeft plaatsgevonden en er zijn nog geen kosten gemaakt, dient het voorschot terugbetaald te worden. Werden er reeds kosten gemaakt en kunnen die aangetoond worden, is het mogelijk dat deze wel betaald moeten worden.

Het is aangewezen om dit geval per geval te bekijken om welke kosten het gaat en of deze te verantwoorden zijn. Bij verse voedingswaren is het bijvoorbeeld niet gebruikelijk dat deze een maand op voorhand worden aangeschaft.

In onderling overleg kan men tot een aanvaardbare oplossing voor beide partijen komen.

Ondertussen pleit ook Horeca Vlaanderen bij de bevoegde overheid om met een duidelijke richtlijn te komen rond de eventuele terugbetaling van voorschotten.

Wat met feesten die plaatsvinden na het einde van de coronamaatregelen?

Wanneer deze worden opgeheven, kan men zich niet meer op ‘overmacht’ beroepen om een feest niet te laten doorgaan. Het ziet er evenwel naar uit dat COVID-19 nog een tijdje onze manier van samenleven zal beïnvloeden. Veel mensen zullen het risico niet durven nemen om een feest alsnog te laten doorgaan… Dienen ook deze feesten nu al geannuleerd te worden?

Bekijk eerst het contract. Wanneer eventueel een termijn wordt toegestaan om kosteloos te annuleren, moet de restauranthouder, verhuurder van de feestzaal etc. die respecteren. Ook hier kan uitgekeken worden om het feest naar een latere datum te verplaatsen. Neem best contact op met je medecontractant en bespreek de mogelijkheden.

Sancties

Stel dat u als uitbater alsnog uw feestzaal verhuurt of u alsnog een housewarmingparty met vrienden en familie organiseert. Wat kunnen de gevolgen hiervan zijn?

De politie treedt sensibiliserend op door bijvoorbeeld een bestuurlijke sanctie op te leggen zoals het sluiten van de handelszaak. Indien dit nog niet helpt, kan een proces-verbaal opgesteld worden waarna het parket kan overgaan tot eventuele vervolging.

Vanaf 7 april 2020 kunnen gemeentes inbreuken op bovenstaande bepalingen bestraffen met een gemeentelijke administratieve sanctie, beter bekend als de GAS-boete. Per inbreuk bedraagt deze 250 euro.

Wanneer u meent dat deze GAS-boete onterecht werd opgelegd, kunt u bezwaar aantekenen en desnoods beroep instellen.

In tegenstelling tot een normale GAS-boete, kunnen deze niet opgelegd worden aan overtreders die minderjarig zijn, statuut van verlengde minderjarigheid dragen of onbekwaam verklaard zijn.  

Er is bovendien voorzien in een principe van ‘onmiddellijke inning’. Evenwel kan deze onmiddellijke inning niet opgelegd worden indien de overtreder dit weigert. Wanneer naast de corona-overtreding een andere overtreding wordt vastgesteld, is evenmin een onmiddellijke inning mogelijk.

De betaling van de GAS-boete belet de Procureur des Konings niet om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Let wel, dit kan maar wanneer de overtreder meer dan één keer de coronamaatregelen heeft overtreden.

 

Indien u nog informatie wenst of vragen hebt rond de toepassing van de coronamaatregelen, aarzel niet om ons te contacteren – telefonisch of via het contactformulier op onze website.

Olivier CATTRYSSE
6 apr. 2020
familie

Wat met de verblijfsregeling van mijn kinderen in tijden van het coronavirus COVID-19?

WAT MET DE VERBLIJFSREGELING VAN MIJN KINDEREN IN TIJDEN VAN  HET CORONAVIRUS COVID-19?

Het coronavirus (COVID-19) brengt heel wat onzekerheden en foutieve interpretaties met zich mee wanneer het aankomt op de uitvoering van de geldende verblijfsregeling m.b.t. minderjarige kinderen.

Vanuit de overheid wordt er ook geen éénduidig standpunt geformuleerd en beperkt men zich tot aanbevelingen.

Nochtans is de impact van de huidige overheidsmaatregelen van wezenlijk belang op de naleving van gehomologeerde of door de rechter opgelegde verblijfsregelingen.

In navolgend artikel gaan wij wat verder in op enkele in ogenschouw te nemen principes m.b.t. de naleving van de verblijfsregelingen.

1.-

Principe: naleving van de geldende verblijfsregeling

Ten onrechte wordt ervan uitgegaan dat de huidige overheidsmaatregelen één van beide ouders het recht geeft om de verblijfsregeling tot nader orde op te schorten onder het mom van “de veiligheid en het belang van het kind”.

In ‘De Standaard’ van 20 maart 2020 verscheen een artikel: “Al 387 mensen opgenomen in het ziekenhuis, 37 doden in totaal”. In dit artikel werd de woordvoerder van het crisiscentrum Yves STEVENS aan het woord gelaten. De aanbeveling toen luidde als volgt:

“Wat met co-ouderschap? De bestaande regels kunnen gerespecteerd worden, ook bij koppels die in een grensgebied wonen. We vragen wel, dat indien het kind ziek is, het bij de mama of papa waar het op dat moment verblijft te houden.”

De periode doorheen het schooljaar waarin de overheid veiligheidsmaatregelen neemt en waarbij de lessen worden opgeschort, kunnen niet aanzien worden als een vakantieperiode. Dit impliceert dat tijdens de Paasvakantie thans de vakantieregeling dient nageleefd te worden, doch bij het einde van de Paasvakantie de regeling doorheen het schooljaar zich herneemt – zelfs al worden de veiligheidsmaatregelen van de overheid na de Paasvakantie verlengd.

Ook voor ouders die in een grensgebied wonen en waarbij het kind over de grens heen getransporteerd dient te worden voor de wissel, geldt dat dergelijke verplaatsing aanzien kan worden als een noodzakelijke of essentiële verplaatsing. Hou steeds een kopie bij u van het vonnis of de overeenkomst EOT, zodat u bij een controle uw verplaatsing kan rechtvaardigen.

Huidige principes zijn onderworpen aan wijzigingen die kunnen worden doorgevoerd door de overheid. Het blijft raadzaam hieromtrent de richtlijnen van de overheid op te volgen, die verder consulteerbaar zijn via: https://www.vlaanderen.be/gezondheid-en-welzijn/gezondheid/coronacrisis-door-uitbraak-van-covid-19/verplaatsingen-en-reizen-tijdens-de-coronacrisis

2.-

Is het mogelijk dat de ouders een andere regeling in der minne overeenkomen?

Zelfs wanneer de rechtbank een bindende verblijfsregeling heeft opgelegd, kunnen ouders nog steeds in der minne een tijdelijke en andersluidende verblijfsregeling opstellen.

Het is daarbij aangewezen dat hieromtrent schriftelijke afspraken worden vastgesteld op papier en waarbij niet in het minst duidelijk wordt bepaald gedurende welke periode deze afwijkende regeling blijft gelden. Laat u hierbij juridisch adviseren.

3.-

Wat indien één van de ouders of het kind zelf ziek zijn?

Wanneer één van de ouders of het kind zelf ziek zijn, kunnen we spreken van een noodtoestand. Het is inmiddels een alom gekend feit dat in dit geval het afgeraden wordt om het kind over te brengen van de ene naar de andere ouder.

Dit geldt ook wanneer een ander inwonend gezinslid bij één van de ouders ziek is geworden.

Ga steeds na in welke mate de verblijfsregeling al dan niet kan worden vervangen of aangevuld met onlinecommunicatie.

Het staat buiten enige betwisting dat het inroepen van de noodtoestand bij de ene dan wel bij de andere ouder vraagtekens met zich mee zal brengen en zal leiden tot verhitte discussies. Laat het zover niet escaleren en zorg voor een medisch attest.

Overeenkomstig de richtlijnen van de huisartsen is er slechts sprake van een coronabesmetting of een vermoeden van coronabesmetting bij “elke persoon met een acute infectie van de bovenste of onderste luchtwegen die nieuw verschijnen of die verergeren, voor een patiënt die chronische respiratoire symptomen vertoont.” (Procedure voor huisartsen in geval van een mogelijk geval van COVID-19 (versie 29 maart 2020).

Een attest van werkonbekwaamheid of een attest voor afwezigheid in de crèche wegens bv. een neusverkoudheid, volstaan niet om de verblijfsregeling op te schorten. Wordt er geen test afgenomen en wordt er 7 dagen thuisisolatie aanbevolen, dan moet de verblijfsregeling na deze 7 dagen opnieuw worden nageleefd.

In alle gevallen waarbij er geen medisch attest kan worden voorgelegd of waarbij er geen ander bewijs van coronabesmetting is, dient de verblijfsregeling te worden nageleefd.

4.-

Sancties

Het niet naleven van voormelde aanbevelingen kan sancties met zich meebrengen die ook een invloed kunnen hebben op de verblijfsregeling na de coronacrisis.

Laat u dus altijd goed informeren alvorens u overgaat tot het opschorten van de verblijfsregeling. Het verdient de aanbeveling dat dit niet eenzijdig gebeurt, doch in wederzijds akkoord en schriftelijk wordt vastgesteld. Wij kunnen u hierbij adviseren.

Wanneer u immers in weerwil van een rechterlijke beslissing weigert het kind terug te brengen of af te geven buiten een situatie van noodtoestand of conventionele afspraak, maakt u zich schuldig aan het misdrijf van niet-afgifte van het kind (art. 432 Sw.).

De ene of de andere ouder kan bovendien ook steeds buiten een strafrechtelijke klacht de zaak terug laten oproepen voor de Familierechtbank om de verblijfsregeling te laten wijzigen (art. 387 ter, §1, derde lid BW).

Daarnaast is het ook mogelijk dat de ouder die het slachtoffer is van de eenzijdige opschorting van het verblijfsrecht, de rechter vat om de in gebreke blijvende ouder te laten veroordelen tot het betalen van een dwangsom tot naleving van de verblijfsregeling of bestaat de mogelijkheid dat de in gebreke blijvende ouder veroordeeld wordt tot het betalen van een morele schadevergoeding t.a.v. de andere ouder.

Een portie gezond verstand, goed advies en goede afspreken kunnen beide ouders een juridische nasleep van de huidige coronacrisis – m.b.t. de verblijfsregeling van hun minderjarige kinderen – besparen.

Hebt u vragen, aarzel dan niet om ons te contacteren – telefonisch of via het contactformulier op onze website.

 

Robin DUYCK
6 apr. 2020
burgerlijk, vastgoed

Gedwongen sluiting ingevolge het coronavirus COVID-19: wat met betaling van de huur voor handelsruimtes?

GEDWONGEN SLUITING INGEVOLGE HET CORONAVIRUS COVID-19: WAT MET DE BETALING VAN DE HUUR VOOR HANDELSRUIMTES?

De gedwongen sluiting van het gros van de publiek toegankelijke handelsruimtes (veelal KMO’s) raakt de Belgische economie in haar hart.

Ondanks de steunmaatregelen zullen heel wat van deze ondernemingen nog maandenlang door de zure appel heen zullen moeten bijten. Inkomsten zijn er niet of nauwelijks, maar de vaste kosten blijven dezelfde.

Voor veel ondernemers vormt de betaling van de huur van hun handelsruimte de meest noodzakelijke voorwaarde voor de uitoefening van hun activiteiten. Huurders denken aan “overmacht” in een poging aan hun verplichtingen te ontsnappen.

Betreft het coronavirus COVID-19 een situatie van overmacht en wat zijn daarvan de gevolgen op de uitvoering van huurovereenkomsten met huurders-ondernemingen?

Essentiële noot daarbij is dat hier enkel de overeenkomsten worden besproken waarin geen overmacht- of imprevisieclausule staat opgenomen. Enkel huur door ondernemingen in het kader van hun bedrijfsvoering (handelshuur of gemene huur) wordt geviseerd. Woninghuur en pacht komen hier niet aan bod.

1.-

Wat is overmacht?

Een contractspartij die in gebreke blijft om zijn verplichtingen na te komen, kan van zijn aansprakelijkheid worden bevrijd indien hij kan aantonen dat dit hem door een vreemde oorzaak (zoals overmacht) onmogelijk wordt gemaakt (artn. 1147 - 1148 B.W.).

In wederkerige (niet-eigendomsoverdragende) overeenkomsten wordt de daaraan gekoppelde verbintenis van de andere contractspartij dan opgeschort of gaat deze teniet, naargelang er sprake is van een tijdelijke, respectievelijk definitieve situatie van overmacht.

Het leeuwendeel van de Belgische rechtbanken ziet “overmacht” (force majeure) als een gebeurtenis, vreemd aan de wil van partijen, en die ervoor zorgt dat het een contractspartij volstrekt onmogelijk wordt gemaakt om zijn verplichtingen na te komen, zonder dat hij daar zelf fout in heeft.

Indien het enkel moeilijker, kostelijker, lastiger wordt om te presteren, is er geen sprake van overmacht. Dan komt men in het vaarwater van de imprevisieleer: de verplichting om een contract te heronderhandelen bij onvoorziene gewijzigde omstandigheden. In de Belgische rechtsorde kent  deze leer geen algemene toepassing, maar kan dit wel contractueel worden voorzien.

Of het coronavirus COVID-19 een gebeurtenis van overmacht uitmaakt, hangt af van de sector waarin men werkzaam is, de inhoud van de overeenkomst, de concrete wanprestatie en de verbintenis waarop deze betrekking heeft, alsook de gebeurtenis van overmacht waarop men zich wil beroepen.

Veelal zullen het de overheidsmaatregelen in het kader van de indijking van het virus zijn, die een gebeurtenis van overmacht kunnen betekenen (zgn. faits du prince).

2.-

Het standpunt van de huurder: kan hij zich verschuilen achter overmacht om [tijdelijk] aan zijn betalingsverplichting te ontsnappen?

Het antwoord daarop is duidelijk: neen.

De gedwongen sluiting van bepaalde ondernemingen kan het weliswaar moeilijker maken om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, maar zoals hierboven werd gesteld, volstaat een zgn. “relatieve”, “praktische” of “menselijke onmogelijkheid” voor de meeste rechtbanken niet.

Het is niet omdat de publieke toegang tot het handelspand wordt belemmerd, dat men niet elders financiering kan vinden om de huurprijs te betalen. Doorgaans stipuleert een huurcontact overigens niet dat de huurgelden moeten voortspruiten uit de inkomsten genererende onderneming.

Financiële moeilijkheden betreffen een ondernemersrisico; geen overmacht. Het Hof van Cassatie heeft dit recent nog bevestigd (Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0701.N).

Opgelet: de verhuurder die in de huidige omstandigheden met harde hand de onverminderde nakoming van huurbetalingen nastreeft, zonder enig uitstel toe te staan, kan worden geviseerd door het verbod op rechtsmisbruik, bijvoorbeeld indien de huurder daardoor compleet zou worden geruïneerd, zonder dat de verhuurder daar zelf een duidelijk voordeel uit haalt. Dan kan de rechter matigen of de verhuurder veroordelen in schadeherstel.

3.-

Het standpunt van de verhuurder: blijft de verhuurder buiten schot?

De verhuurder is verplicht om de huurder het rustig genot van het verhuurde goed te bezorgen overeenkomstig de bestemming van dat goed zoals partijen het hebben voorzien.

Er kan worden beargumenteerd dat het de verhuurder nu in bepaalde gevallen onmogelijk wordt gemaakt om die verplichting nog ten volle na te leven, nu de exploitatie van de in het gehuurde pand uit te baten kleinhandel of ambachtsbedrijf (bij handelshuur) of een ruimere onderneming (gemene huur of handelshuur) aan banden wordt gelegd.

Mogelijks komt artikel 1722 B.W. in het vizier:

“Indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd door toeval geheel is teniet gegaan, is de huur van rechtswege ontbonden; indien het goed slechts ten dele is teniet gegaan, kan de huurder, naar gelang van de omstandigheden, ofwel vermindering van de prijs, ofwel zelfs ontbinding van de huur vorderen. In geen van beide gevallen is schadeloosstelling verschuldigd.”

De gedwongen sluitingen zouden ertoe kunnen leiden dat de verhuurde goederen als het ware juridisch ‘teniet gaan’. Het betreft maar een gedeeltelijk verlies, nu het handelspand doorgaans wel nog gebruikt kan worden voor stockage, administratie, leveringen, e-commerce, etc. Enkel de openstelling naar het publiek wordt verhinderd, waardoor de realisatie van de bestemming slechts gedeeltelijk onmogelijk is geworden. De huurder zou dan recht kunnen hebben op een prijsvermindering.

4.-

Besluitend

Over beide standpunten valt dus te discussiëren.

In principe is de verhuurder nog steeds gerechtigd om betaling van de volledige huurprijs te blijven nastreven, maar men moet zich behoeden voor het verbod op rechtsmisbruik. De huurder zou kunnen argumenteren dat het gehuurde goed gedeeltelijk is tenietgegaan door overmacht, en dus recht heeft op een prijsvermindering.

Het is nog afwachten hoe de (vrede)rechters zich in de nasleep van het coronavirus zullen opstellen. Er valt te verwachten dat een heuse “coronarechtspraak” tot stand zal komen, waarbij de evenwichtsoefening tussen huurder en verhuurder in concreto zal moeten gemaakt, en de gekende notie van “overmacht” van onder het stof gehaald.

Deze analyse werd nooit in de praktijk getoetst in het kader van een concreet geschil of gerechtelijke procedure, zodat het voorlopig nog een niet-bewandeld pad betreft.

Wij raden in eerste instantie aan dat partijen in onderling overleg tot een commerciële oplossing komen voor betalingsmoeilijkheden, bijvoorbeeld door een tijdelijke vermindering van de huurprijs of een aanzuiveringsregeling te voorzien.

Voor vragen en bijstand in verband met de naleving van [huur]contracten in tijden van COVID-19, kunt u bij ons terecht.

 

Olivier CATTRYSSE
18 maa 2020
burgerlijk

Preventieve maatregelen coronavirus (COVID-19)

BELANGRIJKE MEDEDELING!! Wij blijven bereikbaar!!

Vragen? Bel ons op 057  20 70 40 (kantoor Ieper) of op 09 391 61 53 (kantoor Aalter) of mail naar info@duyckencattrysse.be

De straten liggen er deze dagen  verlaten bij, maar in de kantoren van Duyck & Cattrysse Advocatenkantoor gonst het nog van de bedrijvigheid. De gebruikelijke service die wij u bieden, blijft ongewijzigd. Wij nemen wel enkele maatregelen om de gezondheid van onze medewerkers en klanten optimaal te beschermen:

  • alle advocaten en medewerkers blijven op post. Ieder personeelslid heeft een apart kantoor waardoor de regels inzake social distancing worden gerespecteerd. Iedereen blijft dus bereikbaar via mail, telefonisch en videocall.
  •  
  • digitale afspraken via klassieke telefoon, Facetime, Skype, Zoom.us... worden de komende weken de norm en zijn mogelijk. Er vinden geen face-to-faceafspraken meer plaats.
  •  
  • onze fysieke kantoren te Ieper en te Aalter werken met gesloten deuren. Afgifte van documenten kan uitsluitend via de brievenbussen van de kantoren. Deze worden meermaals geledigd, zodoende uw documenten ons tijdig bereiken.
  •  
  • gelet op de steeds strenger wordende overheidsmaatregelen worden meer en meer zittingen op de rechtbank uitgesteld. Wij houden u als cliënt per afzonderlijk dossier steeds op de hoogte van de laatste stand van zaken. Aanwezigheid van u als cliënt in persoon wordt op advies van het College van Hoven en Rechtbanken niet langer toegestaan. U dient zich te laten vertegenwoordigen, hetgeen wij zoals steeds met hart en ziel verder zullen blijven doen.

Wij dragen u en de maatschappij een warm hart toe. Wij blijven actief, maar passen ons aan naar de omstandigheden.

Wij wensen ieder van u veel moed, geduld en een goede gezondheid toe om de komende periode te overbruggen.

 

 

Olivier Cattrysse
31 jan. 2018
burgerlijk, vastgoed

Wijzigingen van het appartementsrecht vanaf 1 januari 2019

De wetgever zit niet stil. Sinds 1 januari 2019 zijn een aantal wijzigingen binnen het appartementsrecht. Onderstaand lichten wij enkele wijzigingen toe.

Zo moest voorheen een meerderheid van 3/4 behaald woden voor een beslissing omtrent werken aan de gemene delen. Vanaf 2019 moet er slechts een meerderheid van 2/3 behaald worden. Voor de wettelijk verplichte werken inzake isolatienormen of brandveiligheid moet voortaan slechts een meerderheid van 1/2 behaald worden.

De vereiste unanimiteit voor afbraak en heropbouw van het gebouw omwille van veiligheids- of hygiënische redenen of bij buitensporige renovatiekosten, verdwijnt.

Een aantal onderwerpen van de statuten van een VME worden overgeheveld naar het huishoudelijk reglement.

De opbouw van een rerservefonds wordt verplicht. Elke mede-eigenaar moet jaarlijks vijf procent van het voorafgaande boekjaar storten in het reservefonds. Er kan slechts van voormelde regeling worden afgeweken indien 4/5 van de mede-eigenaars stemmen tegen de opbouw van een reservefonds.

De syndicus wordt verplicht een duidelijke lijst voor te leggen van welke prestaties in het maandelijks forfait zitten begrepen en de tarieven die gelden voor bijkomende prestaties. Prestaties die niet op de lijst vermeld staan, komen niet in aanmerking voor vergoeding, behoudens uitdrukkelijke goedkeuring van de algemene vergadering.

Bij verzuurde relatie tussen de mede-eigenaars kan de syndicus of een 1/5 meerderheid de aanstelling van een bewindvoerder vragen bij de Vrederechter.

De syndicus mag autonoom beslissen om een mede-eigenaar aan te manen of te dagvaarden voor achterstallige bedragen.

Wenst u meer informatie te bekomen over het gewijzigde appartementsrecht kunt u ons steeds contacteren voor een afspraak. Wij lichten u daarbij graag de gewijzigde reglementering toe.

 

Olivier CATTRYSSE
23 okt. 2018
burgerlijk

Gewijzigde huurreglementering

Sinds 1 september 2018 is de reglementering voor het verhuren van een woning, studentenkamer of tweede verblijf gewijzigde in Wallonië. De federale huurreglementering is sinds 1 september 2018 voor het Waals Gewest komen te vervallen. Voorzien wordt dat deze ook in Vlaanderen wijzigt tegen 1 januari 2019. In het Brussels Gewest was dit reeds het geval sinds 1 januari 2018.

Sluit u een nieuw woninghuurcontract voor een woning gelegen in het Waals Gewest, dan voorziet de nieuwe reglementering in enkele verplichte vermeldingen. Nieuw is bv. dat de huurder elk jaar verplicht bewijs dient aan te leveren dat hij/zij een brandverzekering is aangegaan. Wordt dit bewijs niet aangeleverd, dan kunnen wij u aanraden uw eigen polis uit te breiden met 'afstand van verhaal' en de kost hiervan door te rekenen aan uw huurder.

Sluit u een contract met een huurder voor een termijn van drie jaar of minder voor een hoofdverblijfplaats, dan kan de huurder dat contract voortaan opzeggen met een opzeg van drie maanden en een vergoeding van één maand huur. Als verhuurder kan men dergelijk contract opzeggen voor eigen gebruik na het eerste huurjaar en met betaling van één maand huur.

Ook bij overlijden van de huurder, wordt het voortaan eenvoudiger in het Waals Gewest om de stopzetting van de huur te bekomen.

Belangrijk is aldus te weten dat de huurreglementering in het Waals en Brussels Gewest niet langer overeenstemt met deze die gehanteerd wordt in het Vlaams Gewest. Het Vlaams Gewest valt immers nog steeds terug op de federale Woninghuurwet. Wat betreft het Vlaams Gewest zijn er wel reeds ontwerpteksten die voorzien in een eigen gewestelijke reglementering, doch deze werden nog niet definitief goedgekeurd. De nieuwe regels voor het Vlaams Gewest worden voorzien vanaf 1 januari 2019.

Laat u aldus goed informeren alvorens u een nieuwe huurovereenkomst aangaat in één van de 3 gewesten, gelet op de eigen reglementering.

Olivier Cattrysse
5 sept. 2018
burgerlijk

Onterven van de langstlevende echtgenoot mogelijk?

De mogelijkheid om in geval van een nieuw samengesteld gezin de langstlevende echtgenoot in onderling akkoord te onterven wordt verruimd. Wanneer een echtgenoot kinderen uit een vorige relatie heeft, kunnen de echtgenoten bij huwelijksovereenkomst een regeling over hun erfrecht in elkaars nalatenschap treffen. Tot nu mocht er hierbij niet geraakt worden aan de concrete reserve: de langstlevende echtgenoot had steeds recht op het vruchtgebruik van de gezinswoning en het huisraad. Die beperking wordt nu geschrapt. Waardoor de langstlevende echtgenoot ook de concrete reserve kan ontnomen worden. Maar het is geen alles of niets verhaal.

De echtgenoten kunnen immers ‘geheel of ten dele’ een regeling treffen over hun rechten in de nalatenschap van de andere. Ze kunnen bv. een vruchtgebruik op de gezinswoning voor enkele jaren bedingen in hoofde van de langstlevende. Dan is er een gedeeltelijke verzaking aan de concrete reserve.
Let wel: de langstlevende heeft in elk geval het recht van bewoning op de gezinswoning en het recht van gebruik van het huisraad gedurende zes maanden vanaf het openvallen van de nalatenschap (dus geen vruchtgebruik). Dit recht van bewoning en gebruik gedurende zes maanden mag hem niet ontnomen worden. Die overgangsperiode moet voldoende zijn om een andere woning te vinden. De langstlevende kan wel aan het recht van gebruik en bewoning verzaken.

Bron: Wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake, BS 27 juli 2018 (art. 3–5 en 7)
Zie ook: https://jura.kluwer.be/secure/documentview.aspx?id=kl2247735

Olivier CATTRYSSE
21 nov. 2017

Van 17 naar ... 4 vennootschapsvormen

De Minister van Justitie legt de laatste hand aan het voorontwerp van de hervorming van het Wetboek van Vennootschappen. Wellicht zullen de wijzigingen in 2018 definitief in voege treden.

Eén van de maatregelen bestaat eruit van de 17 vennootschapsvormen die er op vandaag bestaan, slechts 4 over te laten. Het gaat om de NV, BV (nu de BVBA), de CV (nu de CVBA) en de maatschap.

Het voorstel dat op heden op tafel ligt voorziet in een kennismakingsperiode van 1 jaar na de publicatie van de wet. Vanaf het boekjaar daarna hebben bestaande vennootschappen 10 jaar de tijd om hun statuten in orde te brengen.

Olivier CATTRYSSE
16 nov. 2017

Paal en perk aan het kraken van panden

Kraken is voortaan een strafbaar misdrijf ingevolge de aanpassing van art. 439 van het Strafwetboek. Voormeld artikel voorzag dat wie zonder bevel van de overheid en buiten de gevallen waarin de wet toelaat in de woning van bijzondere personen tegen hun wil binnen te treden, in een door een ander bewoond huis, appartement, kamer, verblijf of in de aanhorigheden ervan hetzij binnendringt met behulp van bedreiging of geweld tegen personen of door middel van braak inklimming of valse sleutels, een strafbaar feit begaat.

Het artikel werd thans aangevuld met de bewoordingen:

"hetzij dit goed bezet, hetzij erin verblijft zonder toestemming van de bewoners wordt gestraft met een gevangenisstraf van 15 dagen tot 2 jaar én een geldboete van 26 tot 300 euro."

De bepaling is algemeen en is ook van toepassing op bv. het kraken van verplaatsbare garageboxen of tuinhuizen.

Het misdrijf blijft evenwel een klachtmisdrijf. Dat wil zeggen dat zolang een persoon die houder is van een titel of een recht op het betrokken goed, geen klacht indient, er ook geen sprake is van een misdrijf.

Het nieuwe artikel heeft als voordeel dat een lange procedure voor de Vrederechter thans wordt vermeden en een uithuiszetting thans kan worden bevolen binnen de 8 dagen. De wetgever heeft voorzien dat dit artikel in 2020 zal worden geëvalueerd.

Bron: Wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, BS 6 november 2017.

 

Olivier CATTRYSSE
10 nov. 2017

Wij verwelkomen een nieuw lid in ons team: Mr. Julie PODEVYN

Sinds 2 oktober 2017 werd ons team versterkt met de komst van Mr. Julie PODEVYN.

Zij studeerde af als master in de rechten en master in het notariaat aan de Universiteit Gent in 2017.

Sinds 17 oktober 2017 is Mr. PODEVYN opgenomen op de lijst van stagiairs aan de balie Ieper.

Olivier CATTRYSSE
23 aug. 2017
burgerlijk, familie

Verwerping van nalatenschap kan sinds 03/08/2017 enkel nog via de notaris

Wie een nalatenschap - waarop hij/zij gerechtigd is - wil verwerpen, kan dit sinds 03/08/2017 enkel nog doen via een verklaring voor de notaris, in een authentieke akte. De mogelijkheid om dergelijke verklaring af te leggen ten overstaan van de griffier van de Rechtbank van Eerste Aanleg, werd geschrapt met art. 117-123 Potpourri V.

In een eerste fase worden deze akten door de notaris - op kosten van de erfgerechtigde - gepubliceerd binnen de 15 dagen na datum van akte in het Belgisch Staatsblad. In een tweede fase zullen deze verklaringen verzameld worden in een centraal erfrechtregister, dat op heden evenwel nog niet bestaat. De invoering ervan is voorzien uiterlijk 1 januari 2020.

De verwerping is gratis wanneer de verwerper vermoedt dat het netto-actief van de nalatenschap niet hoger is dan 5.000 euro. Hij moet dat op eer verklaren in de akte. De drempel van 5.000 euro wordt om de drie jaar geïndexeerd.

Bij dergelijke kleine nalatenschappen is de erfgerechtigde vrijgesteld van de erelonen en kosten van de instrumenterende notaris voor de authentieke vaststelling van de verklaring van verwerping, de registratierechten voor de authentieke akte, het recht op geschriften en de kosten van publicatie in het Staatsblad.

Olivier CATTRYSSE
11 juli 2017
verkeer

Strijd tegen onbetaalde verkeersboetes is geopend

Met wet van 8 juni 2017 tot wijziging van de artikelen 52 en 53 van de programmawet van 25 december 2016, is het voortaan mogelijk voor de politie om betaling af te dwingen van onbetaald verkeersboetes via ANPR-camera's. Voordien was deze techniek van het innen van onbetaalde verkeersboetes voorbehouden aan de mobiele brigades van Douane en Accijnzen.

Dit impliceert meteen ook dat politieambtenaren in geval van niet-betalen het voertuig in beslag mogen nemen.

Wanneer de politieambtenaren tijdens een controle op de openbare weg via hun slimme camera een voertuig detecteren waarvan de eigenaar nog een openstaande verkeersboete heeft, mogen ze dat voertuig aan de kant zetten om het bedrag te innen. In geval van niet-betalen mogen ze het voertuig in beslag nemen.

Het bericht van inbeslagneming wordt binnen de 2 werkdagen verstuurd naar het adres van de titularis die op het kentekenbewijs staat. Is dit de bestuurder dan kan het bericht ook onmiddellijk worden overhandigd. De titularis moet het bericht zo nodig overhandigen aan de eigenaar van het voertuig.

Het voertuig wordt in beslag genomen op kosten en risico van de eigenaar of de persoon die als titularis van het kenteken van het voertuig wordt vermeld.

Voertuigen blijven aan de kant tot de achterstallige sommen én de kosten (o.a. takelkosten en stallingskosten) volledig zijn betaald. Gebeurt dat niet binnen de 10 werkdagen na de datum waarop het voertuig in beslag werd genomen, dan kan de ontvanger bevoegd voor de invordering van de penale boeten beslissen om over te gaan tot verkoop van het voertuig.

Olivier CATTRYSSE
09 jun. 2017
handel

Praktische tip: de einddatum voor het indienen van uw jaarlijkse belastingsaangifte

Het is weer zover... het indienen van de jaarlijkse belastingsaangifte. Voor vennootschappen waarvan het boekjaar afsluit op 31.12.2016 moet de aangifte vennootschapsbelasting ingediend zijn op 27.09.2017. Wat betreft uw privéaangifte gelden de volgende data: 29.06.2017 als u zelf uw aangifte op papier indient, 13.07.2017 zo u dat doet via Tax-on-Web en 26.10.2017 als uw boekhouder voor u uw aangifte elektronisch indient.

Wat als u dit niet op tijd doet? Dan riskeert u een boete van €50 tot €1.250 overeenkomstig art. 445 WIB92; art. 229/1 KB/WIB 92.

Dat is evenwel niet alles. Naast deze boete riskeert u tevens een belastingsverhoging van 10%. Hoewel de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 18 april 2016 oordeelde dat art. 444 WIB92 niet geldt voor een laattijdige aangifte, heeft de wetgever beslist om zéér binnenkort de wetgeving aan te passen in het voordeel van de fiscus. Het wetsvoorstel is immers reeds klaar en wacht nog enkel op goedkeuring - wat tegen de zomer te verwachten valt.

Voor een eerste overtreding te goeder trouw, waarvoor een belastingverhoging van 10% geldt, kunt u uw controleur vragen om die niet toe te passen (Comm. IB 444/22).

Tijdig uw aangifte indienen, is dus de boodschap!

 

 

Olivier CATTRYSSE
31 mei 2017
handel, voorwaarden, burgerlijk

Herroepingsrecht voor de consument: een automatisme?

~~Veelal gaan consumenten uit van de verkeerde veronderstelling dat zij bij elke aankoop het recht hebben om hun aankoop binnen een termijn van 2 weken te herroepen.  Wanneer heeft de consument dan wel dit recht?


Wanneer de consument een goed aankoopt in de winkel, dan is de handelaar niet verplicht een herroepingsrecht van 2 weken aan te bieden. Doet men dit wel, dan is dit een loutere commerciële tegemoetkoming van de handelaar.


Werd er door de consument een goed besteld in de winkel en thuis geleverd, dan heeft de consument ook in deze situatie geen herroepingsrecht, tenzij anders werd overeengekomen.


Verder is er ook geen herroepingsrecht voorzien bij een telefonische bestelling, voor zover het gaat om een occasionele verkoop en niet om een vaste praktijk.


Koopt de consument online een goed aan, gaat het om een verkoop of afstand waar wel een herroepingsrecht is voorzien. In deze situatie heeft de consument het recht om binnen de 14 dagen af te zien van zijn aankoop. Een uitzondering is voorzien voor goederen die op maat werden gemaakt, alsook voor goederen die wegens gezondheidsbescherming niet kunnen worden teruggenomen of voor hygiëne verzegelde goederen. Het is aangeraden als handelaar om de consument in te lichten wanneer U toepassing wenst te maken van één van deze uitzonderingen.


Het herroepingsrecht begint te lopen vanaf het moment dat de consument het besteld goed in ontvangst heeft genomen. Wanneer het gaat om een dienst die werd besteld, dan begint de termijn voor herroeping te lopen vanaf datum van bestelling.

Olivier CATTRYSSE
27 apr. 2017
voorwaarden

Betalen binnen de 30 dagen?

Zowel de ondernemer als de klant hebben er baat  bij duidelijk te communiceren omtrent de betalingstermijn voor een afgeleverde factuur. Of de klant al dan niet beschikt over een betalingstermijn van 30 dagen, dan wel toepassing kan gemaakt worden van de betalingstermijn conform de algemene voorwaarden, daar bestaan veel misvattingen over.

Iedereen heeft het wellicht al meegemaakt. Als ondernemer ervaart u dat uw klant te laat betaald heeft, als klant stelt u zich de vraag of uw leverancier rechtsgeldig nalatigheidsintresten kan eisen wanneer u na vervaldatum van de factuur betaalt.

De Europese regelgeving voorziet in uniforme betalingsregels die als algemene regel stellen dat er een betalingstermijn van 30 dagen dient in acht te worden genomen. Is die 30 dagen-termijn dan altijd de regel? Ja en neen.

De klant heeft enkel recht op de betalingstermijn van 30 dagen zo er geen andere betalingstermijn werd overeengekomen. Het volstaat als ondernemer niet om aan de klant zijn/haar algemene voorwaarden - waarin een kortere betalingstermijn wordt bedongen - slechts voor het eerst mede te delen bij het versturen van de factuur. In dat geval kan de ondernemer de toepassing van zijn/haar algemene voorwaarden niet afdwingen wanneer de klant een particulier betreft. De kaarten liggen anders zo de klant een professioneel is. De ondernemer doet er aldus goed aan om de algemene voorwaarden aan zijn/haar klanten kenbaar te maken bij het afleveren van een offerte of bestelbon, en de klant dient deze tijdig te protesteren zo hij/zij niet instemt met deze algemene voorwaarden.

Kan een verkoper / dienstverlener bijkomende kosten aanrekenen voor het versturen van een ingebrekestelling - het zogenaamde schadebeding? Ook hier is er een tendens in de rechtspraak die stelt dat dergelijke clausule t.a.v. particulieren slechts uitwerking kan hebben, zo er in de algemene voorwaarden ook in een sanctie voorzien wordt als de verkoper/dienstverlener zijn plichten niet nakomt. In de relatie professioneel-particulier is er aldus een wederkerigheid vereist.

Voorzien de algemene voorwaarden van de handelaar niet in een clausule m.b.t. nalatigheidsintresten (betaling na vervalldatum), dan valt de verkoper/ dienstverlener terug op de wettelijke intrestvoet bij betalingsachterstand. Die bedraagt momenteel 8% voor beroepsmatige klanten en 2% voor particuliere klanten.

Olivier CATTRYSSE
27 apr. 2017
handel

Online aangifte van schuldvordering uit de startblokken

Sinds 1 april 2017 is het mogelijk om online een schuldvordering in te dienen bij de curator van een faillissement. Alle faillissementsdossiers worden immers voortaan elektronisch bewaard in het 'Centraal Register Solvabiliteit' (Wet van 1 december 2016).

Voordeel van deze manier van werken is dat u een zgn. verliesattest ontvangt, waarmee de factuur afgeboekt kan worden en niet belast wordt. Tevens kunt u de reeds doorgestorte btw terugvorderen.

Het indienen van een elektronische aangifte is betalend. De aangifte wordt bovendien pas als volledig aanzien, na ontvangst van betaling.

Als advocaat zijn wij in de mogelijkheid als bijzonder gevolmachtigde deze online aangifte voor u te doen. Bovendien is het belangrijk dat u zich laat adviseren bij het indienen van de aangifte. U dient immers meteen eventuele voorrechten in te roepen.

Olivier CATTRYSSE
29 maa. 2017
burgeriljk

Bewijslast en beperkte mogelijkheid tot verzet in strafzaken

De fameuze Potpourri II-wet van 5 februari 2016 omvatte ondermeer het beperkte rechte op verzet in strafzaken. De wet wijzigde art. 187 van het Wetboek van strafvordering in die zin dat het verzet ongedaan werd beschouwd indien de eiser in verzet, persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis had van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan.

Het verzet werd enkel ontvankelijk verklaard in voormeld geval, indien er sprake was van overmacht of een wettige reden van verschoning.

Deze nieuwe wetgeving heeft echter tot gevolg dat de rechtszoekende bij onoplettendheid het rechtsmiddel verzet niet langer zal kunnen aanwenden. De wetgever heeft voormeld artikel gewijzigd teneinde te vermijden dat het rechtsmiddel verzet als een aanleg zou worden aanzien, naast de beroepsprocedure.

Het gevolg is echter dat de rechtspraak niet eenduidig is omtrent wat als overmacht kan worden aanzien. Bovendien is er ook nood aan invulling van het begrip "vaststaat dat hij kennis had van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan".

Thans heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 17 januari 2017 bepaald dat het aan het openbaar ministerie of de burgerlijke partij is om te bewijzen dat de verzetdoende partij die kennis had. De verzetdoende partij moet dit niet bewijzen.

Belangrijk hierbij is dat het Hof van Cassatie bepaalde:

"Uit het enkele feit dat een dagvaarding werd betekend aan de woonst van de verzetdoende partij, kunnen de appelrechters niet afleiden dat hij kennis had van de dagvaarding."

Het arrest van het Hof van Cassatie stelt aldus het rechtsmiddel verzet in beperkte mate opnieuw open, na de inperking met de wet van 5 februari 2016.

Olivier CATTRYSSE
16 maa. 2017
burgerlijk

Nieuwe begroting rolrechten vernietigd door het Grondwettelijk Hof

Sinds de wet van 28 april 2015 geldt een regeling, waarbij de rolrechten die verschuldigd zijn voor het aanhangig maken van een procedure bij de Rechtbank, begroot worden op basis van de waarde van het geschil.

Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 9 februari 2017 beslist dat de rolrechten niet langer mogen afhangen van de inzet van de zaak. Terecht oordeelde het Hof dat als de inzet van de zaak hoog is, dit niet noodzakelijk betekent dat het gaat om een ingewikkelde zaak, die meer werklast voor de Rechtbank met zich meebrengt.
 Dit is een goede zaak en sinds lange tijd de eerste positieve kentering die de toegang tot de Rechtbank financieel draaglijker maakt voor de aanleggende partij.

Olivier CATTRYSSE
8 maa. 2017
arbeid

vier-drie-twee regel?

Sinds enkele jaren kunt U een nieuwe werknemer die U voor een bepaalde duur in dienst neemt, geen proefperiode meer geven. Er dient dus altijd een ontslag te worden gegeven met respectering van een opzegtermijn van twee weken of langer.

Een contract van bepaalde duur kan evenwel niet 'verlengd' worden, ook al is het maar voor enkele dagen. Wat wel kan is het sluiten van een nieuw contract voor bepaalde duur.

Let wel, indien U niet voldoet aan de vier-drie-twee regel, kan het afsluiten van meerdere opeenvolgende contracten voor bepaalde duur aanzien worden als een overeenkomst van onbepaalde duur.

Wat is nu die vier-drie-twee regel? Welnu, dit houdt in dat opeenvolgende contracten van bepaalde duur mogelijk zijn als er voldaan is aan drie voorwaarden. De voorwaarde is dat het maximaal mag gaan om vier opeenvolgende contracten die elk minstens 3 maanden duren en waarbij de duur van alle contracten samen maximaal twee jaar samen bedragen.

Het tweede, derde of vierde contract van bepaalde duur kan evenwel niet meer vervroegd woren opgezegd!

Voor vragen i.v.m. Uw arbeidsovereenkomst(en) kunt U ons steeds contacteren.

Olivier CATTRYSSE
23 feb. 2017

Wij zijn verhuisd!

Zoals hier eerder reeds werd gepubliceerd namen wij per 30/01/2017 onze intrek in onze nieuwe kantoren.

Heel wat van onze cliënten konden reeds kennis maken met onze nieuwe "setting". Ook benieuwd? Surf snel naar onze facebookpagina!

Olivier CATTRYSSE
16 feb. 2017
burgerlijk

Registreer Uw huurovereenkomst

~~
Sluit u een huurcontract, dan moet dit verplicht geregistreerd worden.

Bij woninghuur dient u als verhuurder het contract en de plaatsbeschrijving binnen de twee maanden na het sluiten te registreren. Een niet-geregistreerd negenjarig woninghuurcontract kan door de huurder opgezegd worden zonder dat een opzegtermijn dient gerespecteerd te worden.

Andere huurovereenkomsten dienen binnen de vier maanden geregistreerd te worden op straffe van een boete.

Het Koninklijk Besluit van 7 december 2016 voorziet in een online registratiemogelijkheid.

Voorafgaandelijk advies inwinnen bij het afsluiten van een huurovereenkomst is dus steeds de boodschap!

Olivier CATTRYSSE
13 feb. 2017
burgerlijk

Is het een verstandige keuze om Uzelf te verdedigen?

~~
Is het een verstandige keuze om Uzelf te verdedigen? Het antwoord is vrij eenvoudig: "schoenmaker blijf bij Uw leest". Waarom zou U denken?

Ongetwijfeld vernam U via de media reeds diverse wetswijzigingen onder de noemer Potpourri. Een amalgaam van regelgeving, zonder enige consistentie. In de eerste Potpourriwet heeft de wetgever heel wat procedurele wijzigingen doorgevoerd. Eén ervan betreft ondermeer het nieuwe art. 744 Ger.W.

Sinds 1 november 2015 moeten procespartijen hun conclusies opmaken volgens een bepaald stramien. Het nieuwe artikel 744 Ger.W. stelt immers dat de rechter enkel moet antwoorden op middelen die in de juiste structuur worden uiteengezet.

Doet U dit niet, dan is de Rechter niet verplicht op de door U aangevoerde elementen te antwoorden. In het kluwen van wetgeving - en zeker in deze tijden waarin de wetgeving in sneltempo wijzigt - is het aldus zeker niet overbodig U juridisch te laten bijstaan.

"Een advocaat beter vroeg dan laat" is dan ook niet zomaar een slogan, maar een niet te misverstane gouden raad.

olivier
20 jan, 2017
verkeer

Verkeersboetes sinds 1 januari 2017 tot 30% duurder

Op 1 januari 2017 stegen de opdeciemen voor strafrechtelijke geldboeten van 50 naar 70. Dat betekent dat de boetes uit het strafwetboek en de bijzondere wetten en reglementen niet meer met factor 6 maar met factor 8 moeten worden vermenigvuldigd. Concreet wordt artikel 1, eerste en tweede lid van de opdeciemenwet strafrechtelijke geldboeten van 5 maart 1952 aangepast. Een boete voor dronken rijden, wordt zo minstens 400 euro duurder wanneer het voorval voor de rechter komt. Met de extra inkomsten wil de wetgever de hervormingen bij justitie verder realiseren en het vervolgingsbeleid versterken.

De stijging van de opdeciemen komt trouwens niet alleen. De Programmawet van 25 december 2016 verhoogt bijvoorbeeld ook de geldboete in het geval de minnelijke schikking niet tijdig wordt geregeld. Het bedrag wordt daar opgetrokken met 35%.

Wie op de bon gaat voor een verkeersovertreding, zal vijf procent meer moeten betalen.